Jan

Lied 2

 

Als het aan Jan ligt zou de Meezingbende een hele Drs. P. avond kunnen organiseren, zoveel taal en cultuur zit er in die liedteksten. Hij vertelt hoe hij in ’t Monumentje de herinneringen aan Drs. P graag in ere houdt.

“In de jaren ’70, ’80 en ook wel ’90 is Drs. P. een bekende nationale dichter en liedjesmaker geweest. Toen ik een jaar of 17 was, rond 1974, heeft hij veel bekendheid verworven, ook op televisie. Eigenlijk is hij een soort cultfiguur geworden met zijn liedjes, waaronder de Dodenrit. En ook heel veel dat hij daarvoor, in de jaren ’50 en ’60 al geschreven heeft, is pas in die tijd echt bekend geworden. Denk aan ‘de Veerpont’, ‘de gezusters Karamazov’ en zo kan ik nog wel even doorgaan. Met die liedjes ben ik opgegroeid. Drs. P heeft mijn liefde en interesse voor de Nederlandse kleinkunst aangewakkerd. Net als Robert Long en al die anderen die in die periode heel populair en actief waren.

 

Waardoor dat komt? Hij is natuurlijk een taalvirtuoos, er zit nooit een woordje scheef of raar. De meest dramatische liedjes met dramatische inhoud en dramatische afloop brengt hij vrolijk, met van die taalkwinkslagen en onzinrijmwoorden. Dat zie je ook in de Dodenrit. Overal zit paardenhaar, moeder is de koffie klaar?

Het boek van ‘Kun je niet zingen, zing dan mee’ is heel breed samengesteld en er zijn slechts vier liedjes van Drs. P. in terechtgekomen. Maar de Meezingbende zou zomaar een Drs. P. avond kunnen verzorgen, zoveel heeft hij er geschreven en zijn er in mijn geheugen blijven hangen. En de reden waarom ik altijd heel hard ‘twee’ roep, of Chris even bericht, is omdat er ook heel veel jonge mensen in dat Monumentje staan. Mijn jonge collega dacht toen ik hem meevroeg dat er allemaal oude mannen in het Monumentje zouden staan, maar dat is helemaal niet waar! Ik vind het leuk om de herinnering aan Drs. P. in leven te houden, ook bij de volgende generatie. Het is een opzweper en een bijzonder lied, waarvan ik las dat het verhaal van kinderen voor de wolven gooien niet eens helemaal verzonnen is – al heeft iemand anders mogelijk dat weer verzonnen. Maar ik vind het een leeftijdloos lied en dat vind ik van al zijn liederen. Zijn dichtbundel die in de jaren ’90 uitkwam heb ik destijds meteen gekocht. Ter inspiratie, al is het maar voor Sinterklaasgedichten. Het metrum is altijd zo perfect, daar kan je heel snel een gedicht mee maken.

 

Vijftien gaan geleden kwam ik voor het eerst in ’t Monumentje. Op mijn werk kwam ik Chris tegen en er waren collega’s die er heen gingen. Toen ben ik aangesloten. Die collega’s zijn inmiddels ex-collega’s en ieder ging z’n eigen weg, al kom ik sommigen nog vaker tegen. Inmiddels heb ik een eigen kringetje om me heen verzameld, ik ben nooit alleen gegaan. Drie, vier keer per jaar. Als ik in Amsterdam zou wonen zou ik misschien wel elke maand gaan.

 

Door de drukte gaan we altijd van tevoren ergens wat eten, want dan kunnen we er echt om half 8 zijn. Tien jaar geleden kon ik dan Chris nog helpen met de stoelen naar buiten dragen, maar daar ben je dan nu al te laat voor. Ik heb altijd een vaste plek, gelijk de deur in en dan links, aan het raam. Dat vind ik ook een fijne plek omdat je er dan gewoon ook uit kan als je wil. En dichtbij de bar, dat is ook belangrijk.

 

Mijn vrouw en ik waren twee jaar geleden 40 jaar getrouwd. En toen hebben we dat hier thuis met familie en vrienden gevierd, aan lange tafels met een lekker buffet. Voor en tussen het buffet door hebben we Chris en een collega muzikant van hem hier uitgenodigd. Chris hij had de meezingboeken bij zich. Toen hebben we hier een klein ‘Monumentje’ gehad, dat was echt heel leuk.

 

De eerste keer dat ik er kwam heeft me er vaker naartoe gebracht, dus dat moet wel bevallen zijn, dat kan niet anders. Ik vertel het ook altijd, het is zo’n speciaal sfeertje, een soort saamhorigheid die er is. Dat klinkt misschien klef, maar zo voelt het wel. Ik denk dat de kracht van die hele setting is dat het niet verandert. Het is gewoon die drie mannen en het is gewoon zingen geblazen. Want zingen, dat is een gemeenschappelijk iets, je bent niks anders aan het doen dan dat en bier drinken of een glaasje wijn. Zo ervoer ik het gelijk, samen zijn we iets aan het doen en je kent er geen hond van, iedereen komt daar maar binnen zetten. Dat vind ik wel zo speciaal dat ik het heel erg zou missen als ik daar niet een paar keer per jaar heen kan.

Lied 2 moet er vooral in blijven, die mag er nooit uit en we moeten het vooral blijven zingen. Al was het maar voor Drs. P. en zijn mooie werk.”