22 Testament

Boudewijn de Groot
Na tweeëntwintig jaren in dit leven maak ik een testament op van mijn jeugd
Niet dat ik geld of goed heb weg te geven voor slimme jongen heb ik nooit gedeugd
Maar ik heb nog wel wat mooie idealen goed van snit, hoewel ze uit de mode zijn
Wie ze hebben wil die mag ze komen halen Vooral jonge mensen vinden ze nog fijn

Aan mijn broertje dat zo graag wil gaan studeren laat ik met plezier ’t adres na van mijn kroeg
Waar ’k te veel dronk om een vrouw te imponeren en daarna de klappen kreeg waarom ik vroeg
En dan heb ik nog een stuk of wat vriendinnen die welopgevoed en zeer verstandig zijn
En waarmee je dus geen donder kunt beginnen maar misschien krijgt iemand anders ze wel klein

Voor mijn neefje zijn mijn onvervulde wensen wel wat kinderlijk, maar ach ze zijn zo diep
Ik behoorde immer tot die groep van mensen voor wie ’t geluk nog altijd harder liep
Aan mijn vrienden laat ik gaarne het vermogen om verliefd te worden op een meisjeslach
Zelf ben ik helaas een keer te veel bedrogen maar wie het eens proberen wil die mag

Mij vriendinnetje, ik laat jou alle nachten dat ik tranen om jouw ontrouw heb gestort
Maar onthoud dit wel: ik zal geduldig wachten tot ik lach omdat jij ook belazerd wordt
En de leraar die mij altijd placht te dreigen: Jongen jij komt nog op het verkeerde pad!
Kan tevreden zijn en hoeft niets meer te krijgen, dat wil zeggen: Hij heeft toch gelijk gehad

Voor mijn ouders is het album met de plaatjes die zo vals getuigen van een blijde jeugd
Maar ze tonen niet de zouteloze praatjes die een kind opvoeden in eer en deugd
En verder krijgen ze alle dwaze dingen terug die ze mij teveel geleerd hebben die tijd
Ze kunnen mij tenslotte ook niet dwingen groot te worden zonder diep berouw en spijt

En dan heb ik ook nog enkele goede vrienden maar die hebben al genoeg van mij gehad
Dus ik gun ze nu het loon dat ze verdienen: Alle drank die ze van mij hebben gejat
Verder niets, er zijn alleen nog een paar dingen die ik houd omdat geen mens er iets aan heeft
Dat zijn mijn goede jeugdherinneringen die neem je mee zolang je verder leeft
© 1966 Tekst: Lennaert Nijgh Muziek: Boudewijn de Groot